Heeft het verpandingsverbod zijn langste tijd gehad?

Geplaatst op 06 apr 2018 Heeft het verpandingsverbod zijn langste tijd gehad?

Een verpandingsverbod? Wat is dat ook al weer?

In een eerdere nieuwsbrief op onze website (december 2012) schreef ik er al eens over. Het is een fenomeen dat de laatste jaren nogal eens in de belangstelling stond en dan niet alleen bij juristen en advocaten. Met name de bouwpraktijk heeft er nog al eens mee te maken. Sinds kort weten we dat de regering van het verpandingsverbod af wil en is er een wetsvoorstel in voorbereiding om te komen tot afschaffing. Vandaar dat ik er nog een keer aandacht aan besteed.

Hoe zat het ook al weer?

Een verpandingsverbod is een beding in een contract, waarin bijvoorbeeld de opdrachtgever van een bouwproject aan de aannemer verbiedt om de vordering van de aannemer op de opdrachtgever in pand te geven. De betreffende aannemer heeft zijn onderneming meestal gefinancierd bij een bank en in het kader van die financiering verpandt hij de vorderingen die hij heeft op zijn opdrachtgevers en ook zijn inventaris en materieel aan de bank. Hiermee verkrijgt de bank zekerheid dat het krediet ooit terugbetaald wordt. Zonder zekerheid, geen financiering en zodoende vormt het geven van een pandrecht aan de bank de basis voor heel veel financieringen.

Als er echter sprake is van een contractueel bedongen verpandingsverbod, kan de aannemer de vordering op zijn opdrachtgever niet in pand geven aan de bank en kan de bank de facturen aan de opdrachtgever niet tot haar zekerheden rekenen. Dat betekent dus minder zekerheid voor de bank en een inperking van het krediet dat de bank verstrekt. Als het om grote bedragen gaat, die onder het verpandingsverbod vallen, moet de bank wel aanvullende zekerheden gaan vragen, bijvoorbeeld een tweede hypotheek op de woning van de aannemer, of, in het ergste geval, het krediet opzeggen en de lening terugvragen. In dat geval heeft een verpandingsverbod verstrekkende gevolgen.

Een soortgelijk geval doet zich voor bij het zogenaamde cessieverbod, dat de laatste jaren ook steeds meer in contracten opduikt. Bij een cessieverbod wordt bedongen dat een vordering niet in eigendom mag worden overgedragen. Ook dit laatste komt veel voor in de financieringspraktijk. Bijvoorbeeld de eigendomsoverdracht van een debiteurenportefeuille aan een factoringmaatschappij. Als er een cessieverbod is overeengekomen, kan dat niet en dat kan op zijn beurt weer leiden tot allerlei financieringsproblemen.

Kortom, het verpandingsverbod en het cessieverbod kunnen een behoorlijke belemmering vormen voor de financiering van een onderneming. Over de redenen waarom zo’n verbod wordt bedongen, schreef ik eerder in de nieuwsbrief van december 2012.

In de afgelopen jaren is onder juristen nog veel strijd geleverd over de exacte formulering van zo’n verpandings- of cessieverbod. Sommige contracten bevatten bepalingen als: “het is de opdrachtnemer verboden om vorderingen te verpanden” of: “de aannemer mag niet verpanden”. Andere contracten luidden nog wat strenger: “vorderingen kunnen niet worden verpand” of, nog strenger, een formulering van de laatste jaren: “vorderingen kunnen niet worden verpand met goederenrechtelijke werking”. Deze laatste toevoeging is bedoeld om duidelijk te maken dat verpanding niet alleen niet mag, maar ook echt gewoon niet kan.

De Hoge Raad heeft enkele jaren geleden al uitgemaakt in het arrest Coface/Intergamma dat zo’n bepaling in een contract heel precies gelezen moet worden en dat daarbij ook gekeken moet worden naar de bedoelingen van partijen, maar wanneer er staat: “het kan niet met goederenrechtelijke werking” dan is een verpanding of cessie ook echt niet mogelijk.

De praktijk heeft in de afgelopen jaren geworsteld met deze uitkomst. Als er namelijk niet verpand of gecedeerd kan worden, kunnen er geen zekerheden aan financiers worden verstrekt en komt de financieringen van ondernemingen in gevaar. De banken zijn bij veel klanten gaan controleren of er sprake was van verpandingsverboden en hebben maatregelen genomen om hun zekerheden weer op orde te brengen.

Al in 2016 waarschuwde MKB Nederland voor de gevaren van het verpandingsverbod en stelde zij onomwonden: “schrap het verpandingsverbod!”.

De toenmalige minister van financiën Dijsselbloem antwoordde op kamervragen dat het in de eerste plaats aan de contractspartijen zelf is om de verpandings- en cessieverboden niet langer op te nemen in contracten. Overleg daarover was gaande met de Nederlandse Vereniging van Banken en de organisatie van factoringmaatschappijen. Verder meldde hij daarbij dat de overheid zelf geen verboden meer opnam in haar contracten en dat in Duitsland de mogelijkheid om zo’n beding op te nemen was beperkt door de wetgever.

Kennelijk heeft het overleg in de afgelopen twee jaar weinig vooruitgang geboekt en is een vrijwillige afschaffing van deze verboden niet realiseerbaar. Om die reden heeft minister Dekker van Rechtsbescherming afgelopen februari aangekondigd dat hij werkt aan een wetsvoorstel om de verboden af te schaffen. Hoe dat voorstel eruit gaat zien weten we nog niet. Presentatie van het wetsvoorstel is beloofd voor dit voorjaar. Wat ons betreft hoeft er geen absoluut verbod te komen. Voldoende zou zijn dat verpanding en cessie aan een financiële instelling in het kader van een normale bedrijfsuitoefening te allen tijde mogelijk moet blijven. Als dat in de wet wordt vastgelegd zijn de problemen bij het financieren van ondernemingen geweken. Een absoluut verpandings- en cessieverbod, zoals wij dat nu nog kennen, heeft dan inderdaad zijn langste tijd gehad.

Voor vragen over dit onderwerp kunt u contact met mij opnemen (Hans Mulder, mulder@heijltjes.nl of 024-3816692).

 

 

Terug naar het nieuwsoverzicht